In de Wet collectieve warmte (Wcw) kiest Nederland voor zogenoemde integrale warmtebedrijven. Deze nieuwe wet vervangt de huidige Warmtewet en moet de grotendeels publieke uitrol van warmtenetten mogelijk maken. Integrale warmtebedrijven worden verantwoordelijk voor zowel de distributie als de levering van warmte. Dat wijkt af van de situatie bij elektriciteit en gas, waar distributie en levering juist gescheiden zijn.
Die samenvoeging vond de overheid nodig omdat warmte ‘lokaal gebonden’ is. Warmte moet je lokaal uitbalanceren en ook uit een lokale bron halen. Ter vergelijking: een gasmolecuul of kilojoule kun je in theorie het hele land door transporteren en blijft dan hetzelfde. Warmte koelt af. Vanwege dat lokale karakter beslaan warmtenetten meestal ook geen grote gebieden.
Dat betekent wel dat warmtebedrijven binnen hun gebied een nog sterkere monopolie hebben dan leveranciers en distributeurs van elektra of gas. Zowel de tarieven van de warmte zelf als de aansluitkosten worden immers door een en hetzelfde warmtebedrijf bepaald. Een klant kan alleen kiezen om wel of niet aan te sluiten op het warmtenet. Er bestaat geen keuze tussen leveranciers of verschillende producten. Wie niet aansluit op hét collectieve net, moet zelf voor warmte zorgen.
Tarieven reguleren
Die macht voor warmtebedrijven leidde afgelopen week tot bezorgde vragen in de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel werd daar gepresenteerd omdat de Eerste Kamer nog vóór of tegen de wet moet stemmen, voordat die naar verwachting in 2026 in werking treedt.
Verschillende partijen wilden weten hoe consumenten worden beschermd in hun keuzevrijheid. Ook zijn ze benieuwd welke tarieven zij straks moeten betalen. Keuzevrijheid is bij warmte inderdaad minder aan de orde dan bij elektra of gas, legden ambtenaren uit. Dat komt door het collectieve karakter van een warmtenet. Omdat er verschillende systemen bestaan - zoals lage temperaturen, hoge temperaturen en middentemperaturen en verschillende warmtebronnen - gaan de tarieven tussen warmtenetten verschillen. Dat leidt niet tot problemen, is de verwachting. In Denemarken worden verschillende tarieven in verschillende buurten in elk geval ook geaccepteerd.
Omdat de kosten soms erg hoog kunnen uitvallen, worden wel tarieflimieten gehanteerd. Regulering gebeurt door de ACM, die maximumtarieven bepaalt voor verschillende warmtenetten. Dat gaat - net als bij het vaststellen van de tarieven voor de distributie van gas en elektra - op basis van kosten. Met vragen als: ‘Hoeveel kosten maakt het warmtebedrijf om warmte te kunnen leveren?’ en ‘Wordt dat geld efficiënt besteed?’ De maximumtarieven die warmtebedrijven mogen vragen voor warmte zijn dan niet meer gebaseerd op de gasprijs, zoals nu met het zogenoemde Niet Meer Dan Anders-principe. De overstap naar op kosten gebaseerde tarieven gebeurt gefaseerd.
Publiek versus privaat
Grotere warmtebedrijven moeten uiteindelijk allemaal een publiek meerderheidsbelang krijgen. Er komt een ingroeiperiode waarin gemeenten ook een privaat warmtebedrijf kunnen aanwijzen als er nog geen publiek warmtebedrijf voorhanden is. Die ingroeiperiode was eerst zeven jaar, maar werd na besprekingen in de Tweede Kamer aangepast naar tien jaar. Dat geeft private bedrijven meer tijd om hun investeringen terug te verdienen en gemeenten meer tijd om eigen warmtebedrijven op te zetten. Kleine warmtenetten, met minder dan 1.500 woningen, mogen wel privaat blijven. Hiervoor gaan vereenvoudigde tarieven gelden, omdat de ACM niet voor elk klein warmtenet op kosten gebaseerde tarieven kan berekenen.
Onderhoud warmtenetten
In de Eerste Kamer waren er ook vragen over het onderhoud van warmtenetten die uiteindelijk aan publieke partijen worden overgedragen. Ook de afhankelijkheid van restwarmte riep vragen op, omdat die restwarmte uit de industrie waarschijnlijk gaat afnemen.
De ACM gaat toezien op het onderhoud van de warmtenetten. Dat moet goed gebeuren tot aan het moment van overname. Warmtebedrijven moeten bij hun bronnenstrategie rekening houden met de afhankelijkheid van bronnen. Die wordt ook beoordeeld door gemeenten, die warmtekavels toewijzen aan warmtebedrijven. Het is inderdaad waarschijnlijk dat bepaalde restwarmtebronnen gaan afnemen als bedrijven verduurzamen, legde een ambtenaar uit. Deze bronnen zijn wel handig om de periode te overbruggen die nodig is om geothermische of aquathermische bronnen te ontwikkelen. Er ontstaan naar verwachting ook nieuwe restwarmtebronnen, zoals datacenters en elektrolysers (fabrieken die water opsplitsen in waterstof en zuurstof).
De komende weken buigt de Eerste Kamer zich verder over de Wet collectieve warmte.













